Sint-Huibrechts-Lille is een landbouw- en woondorp aan het kanaal Bocholt-Herentals, in de Noord-Limburgse Kempen. De oudste en vandaag nog veel gebruikte benaming voor het dorp is kortweg ‘Lille’. Lille is ook bekend als teutendorp. Teuten waren rondreizende handelaars die naar de omliggende landen trokken om er handel te drijven.
Geschiedenis
De naam Lille komt van ‘Lindelo’ wat ‘Lindenbos’ betekent. De toevoeging van de heiligennaam dateert uit de 17de eeuw. Toch is de H. Hubertus niet de patroon van de Lilse parochiekerk. Dat zijn de heiligen Monulfus en Gondulfus.
In de loop van de 16de en 17de eeuw werd de streek geteisterd door plunderende legerbenden. Zo vielen er in Lille dertig doden toen in 1651 de Lorreinen de kerk in brand staken. In deze onveilige periode moet ook het ontstaan van de schutterij Sint-Sebastiaan, als een soort burgerwacht, gesitueerd worden.
De sociaal-economische geschiedenis van Lille werd voor een groot deel bepaald door de teuten. Zij lagen aan de basis van de eerste nijverheden. In het centrum staan nog verschillende huizen die getuigen van dit rijke verleden.
De oude gemeente Sint-Huibrechts-Lille behoorde, samen met Achel en Hamont, tot aan de Franse revolutie tot de heerlijkheid Grevenbroek. In 1977 werd het een deelgemeente van Neerpelt.
Teutendorp
Oorlogsgeweld en epidemieën dompelden de streek tijdens de 16de en 17de eeuw in armoede. Dit gaf aanleiding tot de ontwikkeling van een merkwaardige vorm van kleinhandel, de ‘teutenhandel’.
Teuten waren rondreizende handelaars die naar de omliggende landen trokken om er handel te drijven. Ze verenigden zich in vennootschappen die bestonden uit meesters en knechten, en hadden onderlinge akkoorden over de te bereizen handelsroutes. Zij verbleven in hun handelsgebied van maart tot december en keerden in de winter naar hun dorp terug. Sommige teuten deden goede zaken en bouwden mooie huizen in hun dorp. Lille telt nog een tiental teutenwoningen waaronder het oud-gemeentehuis.
De helft van de teuten waren ketellappers. Zij verkochten potten en pannen, soms zelfs vuurwapens. Een tweede groep waren de pakdragers. Zij handelden in mutsen, neusdoeken, kousen, beddengoed, tijk, kant en zijde. Daarnaast had je nog de snijders die voor het vee zorgden en haarteuten die pruiken maakten. De laatste teut bleef in 1929 voorgoed thuis.
Het kanaal
Het kanaal Bocholt-Herentals, in de volksmond gekend als het ‘Kempisch kanaal’, snijdt Lille in twee. Het werd oorspronkelijk aangelegd voor de irrigatie van de voedselarme zandgronden in de Kempen. Pas later kreeg het belang voor de scheepvaart. In 1517 had Keizer Karel al plannen om een verbinding te realiseren tussen de Luikse wapenindustrie en de Antwerpse haven. De Spaanse veldheer Spinola blaast het plan in 1625 nieuw leven in, maar heeft onvoldoende geld. Napoleon komt terug aandraven met het plan, start met de werken tussen Maastricht en Bocholt in 1808, maar na Waterloo gaan de plannen de koelkast in. Na de onafhankelijkheid van België in 1830 worden de plannen terug boven water gehaald en uitgevoerd tussen 1843 en 1860.
De molen
De molen werd opgericht in 1819 door twee Lilse teuten en was oorspronkelijk een graan- en olieslagmolen. Bij de kanaalverbreding in 1908 werd hij verplaatst. Van 1921 tot 1961 was de molen in handen van een samenwerkende vennootschap van landbouwers. Na klassering in 1980 kocht Neerpelt de molen in 1997, om hem vervolgens in 2000 te renoveren.
Dorpsfiche
Provincie: Limburg
Streek: Noord-Limburgse Kempen
Deelgemeente van Neerpelt
Oppervlakte : 1.317 ha
Hoogte t.o.v. de zeespiegel: 38 tot 47 m
Aantal inwoners: +/- 3.200
Persverantwoordelijke
liesbeth_fransen@hotmail.com