Als we spreken over ‘het dorp’ betekent dat zowel de bebouwde kom op het platteland alsook de mensen die er in wonen. Steden zijn groter, gehuchten zijn kleiner. Zo staat het ook in het woordenboek van Van Dale. Ons (Germaans) woord ‘dorp’ is afkomstig van het Griekse woord ‘teramnon’ wat ‘huis’ betekent. In de Romaanse talen zeggen we ‘village' of 'villagio’ wat zoveel betekent als ‘kleinere stad’. Het is duidelijk dat we daarmee plaatsen aanduiden waar van oudsher mensen wonen. Je kan dan ook een geschiedenis van dorpen maken die meestal teruggaat tot een vestiging van vrije boerenfamilies dicht bij water of op een verdedigbare hoogte.
Na de Franse revolutie verdween het onderscheid tussen steden en dorpen. Sindsdien is ons grondgebied verdeeld in gemeenten. Structuurplannen hebben het nog wel over ’hoofddorp’ en ‘woonkern’. Afhankelijk van de positie mag er meer of minder gebouwd worden. Die aanduiding gebeurt door de provincies (zie de provinciale structuurplannen bij de diensten ruimtelijke ordening). De Belgische statistiek gebruikt het begrip ‘woonkern’. België telt ongeveer 3800 woonkernen waarvan 3/4de een bevolkingsaantal van 1000 inwoners heeft of minder.
Vroeger sprak men over een ‘kleine kernenproblematiek’. Door de toenemende verstedelijking ontstond er een zuigeffect naar de grotere kernen waardoor de kleinere langzaam werden leeggezogen en het dorpsleven stil viel. In Nederland is er nog steeds een Vereniging voor Kleine Kernen (www.lvkk.nl) die opkomt voor de belangen van de kleine kern (of dorp) en die vooral wil werken aan de leefbaarheid.
Het antwoord op de vragen ‘Waar kom je vandaan?’ of ‘Waar woon je?’ is een deel van je identiteit (of wie je bent). Het dorp, eventueel het gehucht, en in de stad de wijk of de buurt geeft aan zijn bewoners de kans om zich te profileren. Wat er gebeurt in het dorp straalt immers af op zijn inwoners. Veel bijnamen voor dorpen hebben we hieraan te danken. Maar het zijn natuurlijk de inwoners die allerlei activiteiten opzetten, en dit is dan dorpsontwikkeling pur sang. Veel van onze afdelingen komen hierbij in beeld. Ze restaureren het klein religieus erfgoed, ontwerpen een dorpswandeling, houden een boerenmarkt of beplanten het dorpsplein. Dorpen krijgen daardoor meer karakter en de mensen die er wonen, krijgen respect en worden er trots op. Zo ondersteunt de Landelijke Gilden al meerdere jaren ‘Dorp in de kijker’ wat er op neerkomt om gedurende één jaar het dorp in al zijn glorie aan de buitenwereld te tonen. Het actieve verenigingsleven maakt dit mogelijk!
Dorpsontwikkeling kreeg vroeger minder aandacht dan dorpsvernieuwing wat staat voor de aanpak van de infrastructuur. Sommige bestuurders dachten met louter dorpskernvernieuwing de problemen te kunnen oplossen. Hieronder vind je een dergelijk verhaal.
Sinds het Europese programma voor plattelandsontwikkeling is dat veranderd. Dorpsontwikkeling heeft vooral de bedoeling de actieve dorpsinwoners te betrekken en hen de middelen te verschaffen zelf iets in het dorp te doen. De ‘Dorp met toekomst’ actie tussen 2007 en 2009 (www.dorpmettoekomst.be) bewees dat met weinig middelen er best veel resultaat kan bereikt worden, gaande van ontmoetingsplekken, fotoboeken, restauratie erfgoed, dorpsspelen, historische evocaties tot sociale cohesie acties zoals de stoelenactie. Iets gelijkaardigs is nog steeds de actie ‘Buiten Gewone Buurt’ van de Koning Boudewijnstichting (www.kbs-frb.be) die jaarlijks een fors bedrag geeft aan bewonersinitiatieven.
Dorpsontwikkeling vraagt wel enige vorm van planning en organisatie. Ofwel neemt een bestaande vereniging, zoals een landelijke gilde, het initiatief – ofwel wordt er een dorpsraad of bewonersplatform opgericht, waar de vertegenwoordigers van verenigingen in zetelen. In Nederland komt dit veel voor, in Vlaanderen zijn er nog niet zo veel. Het zijn vooral de Regionale instituten voor de Samenlevingsopbouw die dit promoten.
Dit is een fictief voorbeeld geïnspireerd op een plan, dat ooit voor een gemeente in Limburg is gemaakt, dat nooit is gerealiseerd.
Burgemeester: “Ons dorp verslempte en de ziel was weg. Een drukke steenweg snijdt het dorp doormidden. Langs de steenweg liggen ook de belangrijkste voorzieningen: winkels, school, administratief centrum, jeugdhuis. Een dorp is toch wel meer dan een opstapeling van huizen. De bewoners moeten de kans krijgen om met elkaar een praatje te slaan en om samen leuke dingen te doen. In het bijzonder denk ik aan de jongeren en de ouderen die meestal in verenigingsverband activiteiten organiseren. Daarnaast is er door het opkomende wandel- en fietstoerisme in de streek een groeiende behoefte aan rustplaatsen waar ook nog iets te beleven is. De lokale cafés en restaurants kunnen hierin zeker een rol spelen.
Om in te spelen op al die uitdagingen heeft het gemeentebestuur beslist om een plan voor dorpskernvernieuwing op te stellen. Hiervoor is subsidie van de EU voorzien. We hebben daarmee in de buurt van het jeugdhuis een ontmoetingspark aangelegd met een evenementenplein, sportterreinen en een kinderboerderij. Over een fietscafé zijn we nog aan het onderhandelen. En verspreid over de andere dorpen hebben we verschillende rust- en informatiepleintjes waar de toeristen bij een hapje en een drankje nog iets kunnen opsteken over onze mooie plattelandsstreek. Verder willen we nog een leegstaande pastorij ombouwen tot een multifunctionele zaal waar onze verenigingen kunnen toneel spelen en muziekopvoeringen houden. Vooral de akoestiek is nog een technische opgave.”