Menu

Terug naar Actualiteit >De Mobiscore legt pijnlijk het falen van het Vlaamse beleid bloot

Geschreven op 03 juli 2019. - Nieuws, Maatschappelijke dossiers

Veertien dagen geleden lanceerde het Departement Omgeving de Mobiscore. De score geeft aan hoe goed een woning ontsloten is met openbaar vervoer en hoe goed onderwijs, winkels en diensten, ontspanning, sport en cultuur, gezondheid en zorg, te voet of met de fiets bereikbaar zijn. Een complexe zaak als mobiliteit trachten samen te vatten in één cijfer is steeds een hachelijke aangelegenheid.

Los van praktische bezwaren roept de discussie drie fundamentele bedenkingen op.

1. Waar ligt de verantwoordelijkheid?

Vooreerst kan je je de vraag stellen of de Vlaamse overheid de zaak niet op zijn kop zet. Het is immers de overheid die verantwoordelijk is voor de uitbouw van het openbaar vervoer en voor de vergunningen bij de inplanting van nieuwe voorzieningen.

De afgelopen 5 jaar ging de dekking van openbaar vervoer op het platteland er systematisch op achteruit. Er werd voor 110 miljoen gesnoeid in het exploitatiebudget van de Lijn. De indicatieve normen voor de basisbereikbaarheid betekenen een verdere halvering t.a.v. de huidige minimumnormen. Dat komt neer op een verlaging van de frequentie tot op de huidige daluren. Voor de uitbouw van een aangepast openbaar vervoer – het zgn. vervoer op maat – is er onvoldoende budget en wordt een bijna surrealistische timing vooropgesteld.

De afgelopen decennia verlieten voorzieningen – niet alleen winkels, maar ook (semi)overheidsinstellingen zoals bv. ziekenhuizen – voortdurend de stads- en dorpskernen en waaierden langs de gewestwegen uit over heel Vlaanderen. Ook deze verantwoordelijkheid ligt niet bij de particulier maar bij de overheid; tot pakweg 10 jaar geleden de Vlaamse overheid.

Wat de mobiliteitsscore dus vooral leert, is waar het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid van de Vlaamse overheid in het verleden heeft gefaald. De mobiliteitsscore toont perfect aan waar de bereikbaarheid van diensten en het openbaar vervoer ontoereikend zijn. Vlaanderen, waar wacht je op?

2. Mobiscore gaat voorbij aan de kern: de onderfinanciering van het platteland

Precies het falend beleid en het Vlaamse vingertje ‘jullie wonen verkeerd’ zet kwaad bloed bij de plattelandsbewoners en de landelijke gemeenten. Als klap op de vuurpijl wilde de Vlaamse bouwmeester Leo Van Broeck aan de mobiliteitsscore nog eens fiscale gevolgen koppelen. Straks bespaart Vlaanderen verder op openbaar vervoer, laat zij een verdere uitwaaiering van diensten toe, en moeten we daar als plattelandsbewoners dankbaar hogere belastingen voor betalen.

Ongewild raken we hier de kern van het probleem: de gebrekkige financiering van de plattelandsgemeenten en de miskenning van de eigenheid van het platteland en zijn bewoners.

Een recente studie over de financiering van de gemeenten door de VVSG (de vereniging van álle – ook de stedelijke – gemeenten) bevestigt de resultaten van eerder studiewerk van Landelijke Gilden. Maar liefst 40% van het gemeentefonds stroomt ‘als voorafname’ naar Antwerpen en Gent. Bovendien zijn de verdelingscriteria erg ‘stedelijk’ zodat de specifieke noden van het platteland slechts zeer beperkt aanbod komen. Daarbovenop worden steden door de Vlaamse overheid systematisch beter gesubsidieerd. Door hun onderfinanciering zijn de landelijke gemeenten genoodzaakt om nieuwe inwoners aan te trekken om hun basisdienstverlening te financieren. In andere landen bv. Nederland is die verdeling stad – platteland veel evenwichtiger.

Bovendien is het platteland een belangrijke ‘producent’ van de zgn. ‘ecosysteemdiensten’ die vandaag niet vergoed worden. Naast voedselproductie door de land- en tuinbouw, zijn dat bijvoorbeeld het zuiveren van de lucht door bomen en planten, het terugdringen van overstromingsrisico’s door waterbuffering, open ruimte voor rust, ontspanning en recreatie, bijen en hommels die zorgen voor de bestuiving, opwekking van wind- en zonne-energie... . Deze ecosysteemdiensten zijn essentieel in de strijd tegen de klimaatopwarming.

Een fundamentele hervorming van de financiering van gemeenten (het gemeentefonds in het bijzonder) is dan ook essentieel: de zwakke financiële basis en het criterium ‘open ruimte’ moeten zwaarder doorwegen en de ecosysteemdiensten moeten vergoed worden.

3. Een onbewoond woest platteland met uitsluitend natuur is een dwaze utopie

In de discussie over klimaat en mobiliteit wordt door o.a. Leo Van Broeck het verdichten van steden als een soort toverformule voorgesteld. Hoe dichter mensen bij elkaar en bij voorzieningen wonen, hoe minder ze zich verplaatsen met de auto, hoe beter we de uitstoot kunnen terugdringen en hoe meer ‘fun’ ze zullen beleven. Dat klinkt goed. De kans is echter groot dat de ‘opbrengst’ van de verdichting, zich via verdere vliegtuigreizen en intensiever aircogebruik (in de steden is het tot 5° warmer), zal vertalen in een hogere uitstoot. Mocht verdichting de toverformule zijn tot een ‘uitstoot-neutrale’ samenleving, zou Nederland koploper moeten zijn. Maar Nederland stoot per hoofd van de bevolking net méér CO2 uit dan bijna alle EU-landen, inclusief België.

En zonder twijfel beleeft een overtuigde stadsbewoner zeer veel fun in zijn habitat. Maar dat geldt evenzeer voor iemand die graag op den buiten woont. De essentie is dat mensen verschillen in voorkeuren en dat zij binnen de regels vrij kunnen kiezen waar ze gaan wonen. Bovendien wordt de kwaliteit van het samenwonen niet zozeer bepaald door ‘stenen en infrastructuur’, maar door de manier waarop mensen dagdagelijks het samenleven vormgeven in de talloze jeugd-, sport-, cultuur- en natuurverenigingen, in de lokale handels- en horecazaken en in de zorg die mensen voor elkaar opnemen. Dat is wat onze dorpen levendig houdt en daar mogen we als plattelandsbewoners terecht fier op zijn.

Landelijke Gilden kiest duidelijk de kant van het platteland, de kant van een leefbaar platteland. We willen daarbij niet verdelen en plaatsen daarom de wisselwerking tussen stad en platteland centraal. Wij erkennen de centrumfunctie en de dynamiek die uitgaat van steden, maar we vragen evenzeer dat de Vlaamse overheid rekening houdt met de eigenheid en de eigen bijdrage van het platteland en zijn bewoners aan een meer duurzame samenleving. Als we de open ruimte willen vrijwaren zullen we mensen sterker moeten belonen en niet bestraffen of mensen aanwijzen als zondebok en gemeenten passend financieren. Het is de enige manier om de wisselwerking tussen stad en platteland op een positieve manier te benaderen.

De utopie van ‘een onbewoond woest platteland met uitsluitend natuur’ is daarom dwaas en contraproductief. Verdichting is geen toverformule tegen de klimaatopwarming en de utopie plaatst stad en platteland onnodig tegenover elkaar.

Landelijke Gilden vraagt
Op 19 juni 2019 kwamen een aantal Vlaamse Plattelandsgemeenten samen in het Vlaams Parlement. Landelijke Gilden ondersteunt hun drievoudige vraag:

  1. meer financiële slagkracht voor plattelandsgemeenten door enerzijds het gemeentefonds te herzien en anderzijds ecosysteemdiensten te waarderen én te financieren.
  2. ondersteuning bij dorpskernversterking om de open ruimte in stand te houden en oplossingen te bieden voor de sociale verdringing op het platteland
  3. een flankerend beleid op maat van het platteland door een beter openbaar vervoer en nieuwe mobiliteitsvormen te voorzien en door een ruimtelijk beleid met duurzame ontwikkelingsmogelijkheden voor het platteland.

Meer weten?

Op de foto: Bert Meulemans van Landelijke Gilden ondertekent de concluderende vragen die de plattelandsgemeenten na het Plattelandscongres aan de Vlaamse Overheid stelt.