Invoering Indelingsplicht klasse 1 voor kleine herkauwers | Landelijke Gilden
Menu

Terug naar Actualiteit >Invoering Indelingsplicht klasse 1 voor kleine herkauwers

Geschreven op 09 maart 2020. - Schapenhouders

Vanaf 1 oktober 2019 worden bedrijven met kleine herkauwers zoals geiten, schapen, hertachtigen, alpaca’s, lama’s of dergelijke ingedeeld op basis van de nieuwe rubriek 9.6 in Vlarem, het Besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. Vanaf meer dan 400 plaatsen voor gespeende dieren wordt het bedrijf nu ingedeeld in klasse 1. De ondergrens voor klasse 2 is verlaagd van 150 naar 50 plaatsen voor gespeende dieren in agrarisch gebied. Voor sommige bedrijven betekende dit dat er een wijziging van de omgevingsvergunning aangevraagd moest worden.

Wat moet er dan gebeuren?
Bedrijven die vandaag meer dan 400 gespeende dieren houden, worden automatisch een klasse 1. Ondanks het feit dat op de milieuvergunning/omgevingsvergunning klasse 2 vermeld staat, worden zij op basis van de nieuwe rubriek 9.6 een klasse 1-bedrijf. Dit betekent dat de provincie de bevoegde overheid wordt voor de vergunningverlening en de Vlaamse overheid voor de handhaving.
Voor de omzetting van een milieuvergunning naar een omgevingsvergunning op het einde van de termijn bepaald in de milieuvergunning of bij uitbreiding van het aantal dieren, zal het bedrijf met meer dan 400 dieren, hiervoor een aanvraag moeten indienen bij de provincie. Dit bestuur is immers bevoegd om de vergunning te verlenen voor klasse 1 bedrijven.
Bedrijven die vandaag tussen de 150 en 400 plaatsen hebben voor kleine herkauwers, blijven klasse 2. Voor hen verandert er niets en zij moeten niets ondernemen.
Bedrijven die tussen de 50 en 150 plaatsen hebben voor kleine herkauwers, worden door de optrekking van de ondergrens van klasse 2, nu ook ingedeeld. Aangezien deze bedrijven hiervoor niet ingedeeld worden, moeten deze bedrijven wel actie ondernemen. De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst, deelt het bestaan van de exploitatie mee aan de bevoegde overheid, dit is in dit geval de gemeente, binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag na de datum van de inwerkingtreding van die aanvulling of wijziging. De uiterste indiendatum is daarom 31 maart. Zij kunnen hiervoor wel een vereenvoudigde procedure volgen. De exploitatie mag worden voortgezet tot een definitieve beslissing is genomen over de verlening van de omgevingsvergunning.

Welke dieren tellen mee?
De rubriek 9.6 gaat over inrichtingen waarin kleine herkauwers zoals geiten, schapen, hertachtigen, alpaca’s, lama’s en dergelijke worden in gehouden. Graasweiden die gebruikt worden om de dieren te laten grazen, maken geen onderdeel uit van de inrichting. Indien de gespeende dieren dus nooit in de inrichting worden gehouden, hoeven zij niet mee opgenomen te worden in de omgevingsvergunning. Indien er slechts 200 stalplaatsen zijn, moet er slechts een vergunning voor 200 gespeende dieren aangevraagd worden. Er mogen dan echter nooit meer dan 200 gespeende dieren op de inrichting aanwezig zijn. De overige dieren mogen dan alleen op een graasweide aanwezig zijn, niet in een andere stal.
Indien er toch voor een kleine periode (bijv. winter) 400 dieren op de inrichting gehouden worden, ongeacht hoe klein de periode ook is, moet de vergunning wel voor 400 gespeende dieren aangevraagd worden. Het gaat dus over stalplaatsen en niet over het 'hebben van een aantal dieren'. Dit kan relevant zijn voor schapenhouders die natuurbeheer doen in Vlaanderen en die een deel van hun dieren, ergens in een natuur- of beheersgebied hebben en niet op het bedrijf.

Een vereenvoudigde procedure?
Een inrichting die klasse 2 is geworden, kan via een vereenvoudigde procedure zijn dossier indienen bij de gemeente via het omgevingsloket. Wat wordt best eerst bekeken? De vereenvoudigde procedure is niet van toepassing als de wijziging of aanvulling van de indelingslijst tot gevolg heeft dat een MER-studie moet worden opgesteld of een passende beoordeling moet worden uitgevoerd. Deze laatste kan eventueel wel het geval zijn als het bedrijf dicht tegen een SBZ gebied ligt. Dit kan je zelf eenvoudig controleren door een voortoets uit te voeren via voortoets.be waar je door een aantal vragen in te vullen direct een eindresultaat krijgt. Het positieve resultaat van deze voortoets, voeg je best toe aan je vergunningsaanvraag. Als uit dit rapport komt dat een passende beoordeling moet uitgevoerd worden, dan wordt er best een studiebureau gecontacteerd om deze passende beoordeling uit te voeren. Zij kunnen dan ook helpen met de aanvraag van de vergunning.
Indien je geen passende beoordeling moet uitvoeren omdat de voortoets groen is, kan je de aanvraag zelf via het omgevingsloket doen. Je zal via een aantal vragen en documenten je dossier moeten vervolledigen. Je kan dit in principe zelf maar kan je ook laten bijstaan door een adviseur. Soms helpen de milieuambtenaren van de gemeente ook met de indiening, bv. wanneer toch niet alle zaken aanwezig zouden zijn om het dossier goed te kunnen beoordelen.

Meer info vindt je op: https://www.omgevingsloketvlaanderen.be/een-project-namens-je-onderneming-aanvragen-en-opvolgen