Wie in 1560 confituur kon eten... | Landelijke Gilden
Menu

Terug naar Actualiteit >Wie in 1560 confituur kon eten...

Geschreven op 26 mei 2020. - Nieuws, Erfgoed, Eten en drinken
confituur

Vanaf 1558 drukte Plantijn in Antwerpen in het Frans en in het Nederlands verschillende edities van het populaire boek  “Les secrets…’ of “de secreten” van de Italiaanse geneesheer en alchimist Alexis Piemontois.
 

 

 

In de Nederlandstalige versie worden deze “secreten” op het titelblad geëxpliciteerd: “Inhoudende seer excellente ende wel gheapprobeerde remedien tegen veel-derhande crackheden, wonden ende andere accidenten. Met de maniere van te distilleren, perfumeren, confituren maken, te verven, coleuren en gieten (van metalen)”.

Dat recepten voor het maken van confituur voorkomen in een boek van een geneesheer-alchemist met als titel “secreten”, doet al vermoeden dat dit in de 16de eeuw geen alledaagse aangelegenheid was! En dat is ook zo, omdat suiker een duur luxeproduct was.


In het verleden werd er honing gebruikt om gerechten een zoet smaakje te geven. Ook planten en vruchten met een zoete smaak werden als zoetmakers gebruikt. De eerste sporen van kleinschalige productie van suiker op basis van suikerriet zijn te vinden in India rond 500 voor Christus. De Hindoes, die het product Sarkara noemden, ontdekten ook dat vruchten er lang in bewaard konden worden, waardoor zij de basis van de confituur legden. Via de Perzen kwam het suikerriet naar het Midden-Oosten en het waren de Arabieren die het introduceerden in het Middellandse zeegebied. De naam van het product kwam via het Arabische sukkar in onze Westerse talen terecht. In het Spaanse azucar heeft het Arabische lidwoord “Al” (sukkar) nog zijn sporen nagelaten.

Het klimaat rond de Middellandse zee was echter niet optimaal voor de teelt van suikerriet en de verwerking was heel arbeidsintensief, waardoor de productie eerder kleinschalig bleef. Met de kruistochten kwam het Westen voor het eerst in contact met suiker. Het werd een populair luxeproduct voor de hoven en de rijken, aangevoerd door Venetiaanse, Italiaanse en Spaanse handelaars. Maar voor de gewone sterveling waren de middeleeuwen alles behalve zoet.

Bij de ontdekking van Amerika introduceerden de kolonisten de suikerrietplantages in het Caraïbisch gebied en Latijns-Amerika. De klimatologische omstandigheden waren er ideaal en de productie van suiker (en rum…) nam hiermee een hoge vlucht. Tegen het einde van de 18de eeuw was suiker eindelijk algemeen verspreid. Suiker had evenwel een enorme menselijke kost. Om massaal suikerrietplantages uit te baten en suiker te produceren was er veel mankracht nodig en die werd geleverd door … slaven! Alle koloniserende Europese staten verscheepten in ruim 200 jaar meer dan twaalf miljoen Afrikanen als slaven naar Latijns-Amerika. Suiker had eigenlijk bitter moeten smaken…

Voor 1800 was alle suiker afkomstig van suikerriet. Suiker uit suikerbieten werd pas voor het eerst commercieel geproduceerd in Pruisen in 1801.  Met de blokkade tijdens de Napoleontische oorlogen, waardoor de invoer van overzee bemoeilijkt werd, kreeg deze nieuwe teelt en productie een serieuze duw in de rug. Verdere technische verbeteringen in de van productie van suiker uit suikerbiet in de loop van de 19de eeuw deden de rest. Van een schaars product in 1560 tot een problematische overdaad van vandaag…

Maar hoe zat het nu feitelijk met die recepten van Alexis Piemontois? Hij geeft verschillende recepten voor confituur, o.a. van kweeperen (“pour faire bonnes confitures de chair de coing”) en van pruimen (“pour faire paste de prunes”).  Onderstaand recept is voor “paste de serises” of kersenconfituur:

“Om pasta van kersen te maken

Verwijder de staartjes en kook de kersen in een weinig water tot zij uit elkaar vallen, terwijl blijf roeren zodat ze niet aanbranden. Wanneer ze gekookt zijn, doe ze dan in een grote zeef om ze te pureren. Nadat ze gepureerd zijn moet men ze wegen en 6 ons suiker toevoegen voor 1 pond kersen [1]. Nadat de suiker is toegevoegd de “pasta” opnieuw aan de kook brengen, constant roerend, en laten koken tot het schuim verdwenen is. Daarna de warme “pasta” in glazen doen en gedurende één of twee dagen in de zon zetten. Dan de potten dichten (“puis la serrer?), maar indien er vocht zou opkomen, opnieuw in de zon zetten om op te warmen.”

Wie meer wil lezen over confituur en suiker, verwijzen we graag naar het artikel in Buiten nummer 3 (juni) van 2020.

 

[1] Een pond (livre) was in die periode nog niet gestandardiseerd en kon tussen de 380 en de 552 g zijn. Meestal was 1 pond  12 ons (onces). In dit recept betekent dit de helft zoveel suiker als gekookt fruit.