Wordt basisbereikbaarheid een maat voor niets? | Landelijke Gilden
Menu

Terug naar Actualiteit >Wordt basisbereikbaarheid een maat voor niets?

Geschreven op 19 maart 2019. - Persartikel, Maatschappelijke dossiers

Landelijke Gilden maakt zich grote zorgen over de uitrol van de ‘basisbereikbaarheid’ en vraagt de meerderheidspartijen om niet alleen het decretaal kader te voorzien, maar ook om de nodige financiële middelen vrij te maken voor de opstart en om een realistische timing op te stellen.

Vandaag wordt wellicht het debat afgesloten over het decreet ‘basisbereikbaarheid’ in de commissie voor Mobiliteit en Openbare Werken van het Vlaamse Parlement. Met dit decreet komt de nadruk voor het busvervoer meer te liggen op de reële vervoersnoden en minder op de normen voor het aanbod (nl. halteafstand en frequentie). Het busvervoer wordt bovendien sterker hiërarchisch georganiseerd met een kernnet (stads- en tussen-stedelijk-vervoer), een aanvullend net (vervoer via de dorpen) en het vervoer op maat (de zgn. vraaggestuurde ‘last mile’). Landelijke Gilden onderschrijft principieel deze overgang van ‘basismobiliteit’ naar ‘basisbereikbaarheid’.

Drie proefregio’s moesten de uitrol voor de rest van Vlaanderen voorbereiden. Zij legden de focus volledig op regionale bestemmingen, zoals stations, middelbare scholen, kmo-zones en ziekenhuizen. Lokale verbindingen en bestemmingen – zoals het gemeentehuis, het woonzorgcentrum, de dorpsschool, de sporthal, het cultureel centrum en winkels – kwamen nauwelijks aan bod. Een enquête georganiseerd door Landelijke Gilden leert nochtans dat precies deze lokale verplaatsingen cruciaal zijn voor het slagen van het vraagafhankelijk ‘vervoer op maat’.

“Zonder bijkomende inspanningen wordt vervoer op maat een maat voor niets en dreigt zelfs een negatieve spiraal voor het openbaar vervoer op het platteland,” aldus Sonja De Becker, voorzitter van Landelijke Gilden.

Dezelfde enquête plaatst ook grote vraagtekens bij het voorstel om meer bussen te laten rijden via de grote steenwegen (zgn. kernnet) en minder bussen via de dorpskernen (aanvullend net). Busgebruikers zijn immers zeer gevoelig aan de halteafstand en minder aan de busfrequentie. Reeds het beperkt vergroten van de halteafstand (met een 250m), leidt tot een aanzienlijk verlies aan reizigers. Een eventuele verhoging van de uurfrequentie kan dat niet compenseren. Zo dreigt basisbereikbaarheid een neerwaartse spiraal voor het openbaar vervoer op het platteland op gang te trekken.

Verder zal het succes van het openbaar vervoer op het platteland sterk afhangen van het flankerend beleid. Onze enquête toont hoe de fiets een grotere rol kan spelen in het voor- en natransport van het openbaar vervoer. Hiertoe moeten de haltes en de stations systematisch omgevormd worden tot multimodale knooppunten. Van een concreet uitvoeringsplan is echter geen sprake. En ook over het open uitwisselingsplatform, de multimodale routeplanner en de tarieven - allen cruciaal voor de gebruiker - heerst grote onduidelijkheid.

Bovendien wordt de globale uitrol van basisbereikbaarheid gehypothekeerd door de gebrekkige financiering en een onrealistisch timing. Terwijl het voltallige parlement het decreet nog moet goedkeuren, een 50-tal uitvoeringsbesluiten nog niet klaar zijn en de minister zijn Mobiliteitsplan niet kon afronden in vijf jaar tijd, moeten de gemeenten en de vervoersregio’s tegen het einde van dit jaar klaar zijn met hun regionaal mobiliteitsplan. De minister stelt bovendien dat het geheel ‘met gesloten enveloppe’ moet gerealiseerd worden. Voor het vervoer op maat wordt amper 30 miljoen in het vooruitzicht gesteld, terwijl een voorzichtige raming van Deloitte 150 miljoen vooropstelt. De Lijn bespaarde bovendien de afgelopen 5 jaar reeds ruim 110 miljoen euro (meer dan 10% van haar exploitatiebudget). Verwachten dat de dienstverlening op peil blijft, er binnen de twee jaar een totaal nieuw systeem van openbaar vervoer operationeel zal zijn en dat dit kan zonder bijkomende middelen, is gewoon niet realistisch.

Landelijke Gilden stelt dat een gezamenlijke opstart van het vervoer op maat, het kernnet en het aanvullend net tegen eind 2020, niet realistisch is of zeer gebrekkig zal verlopen. Om te voorkomen dat vervoer op maat een maat voor niets wordt, vraagt Landelijke Gilden om concreet werk te maken van:

  • het inventariseren van de reële vervoersbehoeften met aandacht voor de lokale verplaatsingen;
  • voldoende budget voor de uitbouw van het ‘vervoer op maat’;
  • een investeringsplan om trein- en bushaltes om te vormen tot multimodale knooppunten;
  • een geïntegreerd openbaar tarief voor trein-, tram-, bus- en vervoer-op-maat
  • een open uitwisselingsplatform met multimodale routeplanner over alle vervoersregio’s heen;
  • een actieve betrokkenheid en reële inspraak van de bevolking en het middenveld.